ECLI:NL:CRVB:2005:AT9476
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid door eigen toedoen
Appellant was in dienst bij P.J. van Puffelen B.V. en kreeg meerdere schriftelijke waarschuwingen over zijn functioneren. Na ziekte en een hersteldverklaring vroeg hij een WW-uitkering aan. Gedaagde weigerde deze uitkering op grond van verwijtbare werkloosheid omdat appellant door eigen toedoen geen passende arbeid had behouden.
De Raad oordeelde dat het bezwaar tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 11 juni 2003 ten onrechte was afgewezen en vernietigde dat deel van de uitspraak. De Raad stelde vast dat de eerste werkloosheidsdag 2 juni 2003 was, niet 31 maart 2003 zoals eerder aangenomen.
Op basis van gesprekken met de werkgever en andere gegevens concludeerde de Raad dat appellant de vrijheid en verantwoordelijkheid van zijn functie niet aankon, onder andere door privégebruik van de bedrijfsauto en het niet naleven van zijn werkroute. Hierdoor was hij terecht overgeplaatst en uiteindelijk ontslagen.
De Raad bevestigde dat appellant de verplichtingen uit artikel 24 van Pro de WW niet was nagekomen en dat hem dit volledig kon worden verweten. De weigering van de WW-uitkering per 2 juni 2003 werd daarmee bevestigd. Daarnaast werd gedaagde veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt geweigerd omdat appellant door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden en verwijtbaar werkloos is geworden.