ECLI:NL:CRVB:2005:AT9371

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 juli 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/4992 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbZiektewet
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit arbeidsongeschiktheid en geschiktheid voor aangepast werk bij longaandoening

Appellant, voormalig opperman in de bouw, meldde zich ziek wegens een recidief van asthma bronchiale. Een verzekeringsarts stelde vast dat appellant zich moest onthouden van zware lichamelijke inspanning en stoffige omgevingen. Op basis hiervan werden lichte functies geselecteerd, waaronder die van draadboommonteur.

Het UWV beëindigde de ziekengelduitkering per 2 juli 2002, waarna appellant bezwaar maakte. Een bezwaarverzekeringsarts concludeerde dat appellant geschikt was voor het werk van kabelboommonteur, een lichte functie zonder schadelijke lijmdampen, mede gezien de milde aard van zijn long- en armklachten.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep. De Raad vond geen medische gronden om het besluit te herzien en oordeelde dat appellant geschikt was voor het laatstelijk verrichte werk. De Raad wees ook een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt bevestigd en appellant wordt geacht geschikt voor aangepast werk.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/4992 ZW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij brief van 9 augustus 2002 is appellant vanwege gedaagde in kennis gesteld van een ten aanzien van hem genomen besluit (hierna: het bestreden besluit) ter uitvoering van de Ziektewet (ZW).
De rechtbank Maastricht heeft bij uitspraak van 18 september 2003 (AWB 2002/1396 ZW) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellant is mr. R.H.L. van de Laar, advocaat te Heerlen, op bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, waarop appellants gemachtigde heeft gereageerd. Nadien heeft mr. P.H.A. Brauer, eveneens advocaat te Heerlen, zich als opvolgend gemachtigde van appellant gesteld.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 8 juni 2005, waar appellant niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door F. Houtbeckers, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellant, die werkzaam is geweest als opperman in de bouw, heeft zich op 8 maart 1999 ziek gemeld vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet. Er was toen sprake van een recidief van zijn asthma bronchiale. Een verzekeringsarts heeft in september 1999 vastgesteld dat appellant zich vanwege zijn longaandoening diende te onthouden van te zware lichamelijke inspanning en werk in een stoffige omgeving. Met inachtneming hiervan zijn voor appellant functies geselecteerd, waarmee hij een zodanig inkomen kon verdienen, dat hij bij het einde van de wachttijd van 52 weken niet arbeidsongeschikt werd geacht.
Op 20 november 2001 heeft appellant zich na eerdere ziekmeldingen opnieuw ziek gemeld en wel wegens pijn in de rechterarm/elleboog. Hij was toen op basis van een contract voor een jaar, afgesloten voor de periode van 19 februari 2001 tot 19 februari 2002, werkzaam als draadboommonteur bij [werkgeefster].
Op het spreekuur van de verzekeringsarts is blijkens het Afschrift Medisch Kaart vastgesteld dat sprake was van een epicondylitis lateralis, die door de huisarts werd beschreven als een milde klacht, waarvoor een expectatief beleid werd gevoerd. Uit de betreffende brief van de huisarts blijkt dat deze had geadviseerd de arm te belasten en activiteiten op te pakken. Gelet op deze klachten werd appellant door de betrokken verzekeringsarts geschikt geacht voor aangepast werk, zoals eerder verwoord. Met betrekking tot de longklachten was sprake van een status quo.
Bij besluit van 1 juli 2002 is aan appellant met ingang van 2 juli 2002 geen ziekengeld meer toegekend.
Naar aanleiding van het bezwaar tegen dit besluit heeft bezwaarverzekeringsarts C.G. van der Kooij op 9 augustus 2002 een rapport uitgebracht. Deze concludeerde op basis van de beschikbare gegevens dat appellant niet alleen belastbaar was conform het oude “Fis”, maar tevens geschikt moest worden geacht voor het soort werk van kabelboommonteur.
Bij het bestreden besluit is het bezwaar tegen voormeld besluit van 1 juli 2002 dienovereenkomstig ongegrond verklaard.
In eerste aanleg is van de zijde van gedaagde alsnog een door voormeld bedrijf opgestelde beschrijving van de functie draadboommonteur ingebracht, waaruit blijkt dat onder die functie twee soorten medewerkers worden gerangschikt, te weten de “schuivers” en de “lijmers”. Gelet op deze werkbeschrijving heeft voornoemde bezwaarverzekeringsarts in een rapport van 18 februari 2003 nader toegelicht, dat het hier ging om een combinatie van werkzaamheden zoals vergaren, samenstellen en verpakken en dat het een lichte functie betrof. Volgens dit rapport kwamen bij dit werk gelet op de aanwezige afzuiginstallatie ook geen lijmdampen vrij in een mate dat appellant daardoor dit werk niet zou hebben kunnen verrichten. Daarbij is van belang geacht dat appellant slechts een matig obstructief longlijden had. Mede in aanmerking genomen dat de armklachten van appellant mild van aard waren en dat de longklachten ook niet de reden voor de uitval vormden, acht de Raad met voormeld rapport van de bezwaarverzekeringsarts genoegzaam aangetoond dat appellant ten tijde in geding geschikt moest worden geacht voor dit werk, dat als het laatstelijk verrichte werk voorafgaand aan het onderhavige ziektegeval als “zijn arbeid” moet worden aangemerkt.
De Raad ziet in hetgeen in hoger beroep , zonder nader medische onderbouwing, is aangevoerd, dan ook geen grond om het bestreden besluit niet in stand te laten.
De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst in tegenwoordigheid van mr. J.W.P. van der Hoeven als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2005.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.W.P. van der Hoeven.