ECLI:NL:CRVB:2005:AT9369
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van beëindiging ziektewetuitkering na dienstverband en zorgvuldige medische beoordeling
Appellante was in dienst als tekenaar en meldde zich ziek wegens overspannenheid door seksuele intimidatie op het werk. Haar dienstverband eindigde van rechtswege na één jaar. Een verzekeringsarts beoordeelde haar op 23 september 2002 als geschikt voor werk, waarna het ziekengeld werd stopgezet per 1 oktober 2002.
In de bezwaarprocedure werd appellante opnieuw medisch onderzocht door een bezwaarverzekeringsarts die informatie inwon bij GGZ-Midden-Brabant. Deze arts concludeerde dat er geen objectieve medische aanwijzingen waren om appellante als arbeidsongeschikt te beschouwen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak.
De Raad benadrukte dat het dienstverband was geëindigd en dat de maatstaf voor arbeid het laatst verrichte werk bij een soortgelijke werkgever is, waarbij slechte verstandhouding buiten beschouwing blijft. Ook oordeelde de Raad dat het inwinnen van informatie bij de GGZ geen advies van een deskundige is, maar wel wijst op een zorgvuldige behandeling. Er was geen aanleiding voor aanvullend medisch onderzoek.
De Raad concludeerde dat het onderzoek volledig en zorgvuldig was en dat het besluit om het ziekengeld stop te zetten terecht was genomen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit om het ziekengeld stop te zetten na beëindiging van het dienstverband en oordeelt dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht.