ECLI:NL:CRVB:2005:AT9308
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij geschil over nevenwerkzaamheden uroloog
De zaak betreft een geschil tussen het academisch ziekenhuis Maastricht en een uroloog over de toestemming voor nevenwerkzaamheden in een ander ziekenhuis. Na eerdere besluiten en bezwaarprocedures werd het bezwaar van de uroloog uiteindelijk gegrond verklaard, waarna het ziekenhuis toestemming verleende onder voorwaarde van schorsing van die toestemming bij een voorlopige voorziening.
Het ziekenhuis verzocht daarop de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening op grond van artikel 8:81 Awb Pro in samenhang met artikel 21 van Pro de Beroepswet om de werking van de uitspraak te schorsen. De voorzieningenrechter oordeelde dat het ontbreken van een spoedeisend belang het verzoek niet rechtvaardigt, mede omdat het instellen van hoger beroep geen schorsende werking heeft en het ziekenhuis geen onoverkomelijke problemen of risico’s door uitvoering van de uitspraak aannemelijk had gemaakt.
De voorzieningenrechter wees het verzoek af en veroordeelde het ziekenhuis in de proceskosten van de uroloog. De uitspraak bevestigt dat de wetgever bewust geen schorsende werking aan hoger beroep toekent en dat slechts in uitzonderlijke gevallen een voorlopige voorziening kan worden getroffen.
Uitkomst: Het verzoek om schorsing van de uitspraak wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.