ECLI:NL:CRVB:2005:AT9112
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.W.P. van der Hoeven
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing ziekengeld na herstel arbeidsgeschiktheid
Appellante, werkzaam als productiemedewerkster via een uitzendbureau, was wegens diverse klachten arbeidsongeschikt geweest maar hervatte haar werk na herstel. Na nieuwe handklachten werd zij door verzekeringsartsen onderzocht en per 3 mei 2002 hersteld verklaard, waarna het ziekengeld werd stopgezet.
Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat zij sinds augustus 2002 onder behandeling was van een psychiater wegens een depressief syndroom. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde echter dat er geen psychiatrische indicatie was die ongeschiktheid voor werk rechtvaardigde. De rechtbank en de Raad gaven aan dat de medische rapporten zorgvuldig waren en dat de brief van de psychiater onvoldoende overtuigend was over het moment en de ernst van de klachten.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en verklaarde het beroep ongegrond. Er waren geen gronden voor proceskostenveroordeling. Hiermee blijft het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gehandhaafd dat appellante geen ziekengeld meer toekomt omdat zij niet meer ongeschikt is voor haar arbeid.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het besluit tot stopzetting van het ziekengeld wordt bevestigd.