ECLI:NL:CRVB:2005:AT9101
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- R.H.M. Roelofs
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit beëindiging nabestaandenuitkering wegens onvoldoende bewijs gezamenlijke huishouding
Appellant ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). De Sociale Verzekeringsbank beëindigde deze uitkering omdat appellant en zijn partner volgens een besluit van de gemeente Stadskanaal een gezamenlijke huishouding zouden voeren. Dit was gebaseerd op een verklaring van de partner en een onderzoek door de Sociale Verzekeringsbank.
Appellant ontkende tijdens een verhoor en ter zitting dat hij met zijn partner samenwoonde. Hij verklaarde dat hij in een stacaravan op zijn akkerbouwbedrijf woonde, terwijl zijn partner het woongedeelte van de boerderij huurde. De Raad oordeelde dat de Sociale Verzekeringsbank onvoldoende onderzoek had gedaan naar de feitelijke woonsituatie, zoals een huisbezoek, om het gezamenlijke hoofdverblijf te bevestigen.
Daarom werd het besluit van 7 februari 2002 vernietigd wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel (artikel 7:12 Awb Pro). Tevens werd het primaire besluit van 11 april 2001 herroepen. De Raad veroordeelde de Sociale Verzekeringsbank tot vergoeding van proceskosten en griffierechten. Partijen kunnen binnen zes weken beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de nabestaandenuitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijke huishouding.