ECLI:NL:CRVB:2005:AT9088
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.G.M. Simons
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Beëindiging nabestaandenuitkering en herziening ouderdomspensioen wegens geen gezamenlijke huishouding
De zaak betreft een hoger beroep van de Sociale verzekeringsbank tegen een uitspraak van de rechtbank Utrecht die het besluit tot beëindiging van de nabestaandenuitkering en herziening van het ouderdomspensioen van gedaagde vernietigde. De kern van het geschil is of gedaagde en betrokkene een gezamenlijke huishouding voeren zoals bedoeld in de AOW en Anw.
De rechtbank oordeelde dat onvoldoende bewijs was voor wederzijdse zorg en daarmee het bestaan van een gezamenlijke huishouding. De Sociale verzekeringsbank stelde dat medehuurderschap en het delen van woonlasten voldoende waren, maar de Raad oordeelt dat dit niet automatisch leidt tot gezamenlijke huishouding. De Raad benadrukt dat de beoordeling materieel moet zijn en niet mechanisch, waarbij financiële verstrengeling en verzorging centraal staan.
In dit geval verhuurt gedaagde een kamer aan betrokkene tegen commerciële prijs, die zijn eigen huishouden voert en incidenteel wat tuinwerkzaamheden verricht. Medehuurderschap is uitsluitend aangevraagd om betrokkene zekerheid over de woning te bieden. Dit is onvoldoende om van wederzijdse zorg te spreken.
De Raad bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank het besluit tot beëindiging van de nabestaandenuitkering en herziening van het ouderdomspensioen ongedaan moet maken en binnen zes weken een nieuw besluit op bezwaar moet nemen. Tevens wordt de Sociale verzekeringsbank veroordeeld in de proceskosten van gedaagde.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat geen sprake is van gezamenlijke huishouding en maakt de beëindiging van de nabestaandenuitkering en herziening van het ouderdomspensioen ongedaan.