ECLI:NL:CRVB:2005:AT9065
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- R.P.Th. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Blijvende weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag op staande voet
Appellant was sinds 28 november 1994 werkzaam als loodgieter en werd op 10 juni 1998 op staande voet ontslagen omdat hij zonder bericht niet op het werk verscheen. Gedaagde weigerde daarop de WW-uitkering blijvend wegens verwijtbare werkloosheid. De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat het niet in overwegende mate verwijtbaar was, maar keerde later terug op dit standpunt na nieuwe feiten en getuigenverklaringen.
In hoger beroep stelt appellant dat hij niet verwijtbaar werkloos is geworden en beroept zich op het vertrouwensbeginsel omdat gedaagde hem vertrouwen zou hebben gegeven op uitkering na het arbeidsrechtelijk traject. De Raad stelt vast dat appellant door zijn gedrag, waaronder het verslapen en eerdere waarschuwingen, redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zijn dienstverband beëindigd zou worden.
De Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank omdat deze ten onrechte een eerder besluit betrok dat slechts een voorschot betrof. De Raad verklaart het beroep ongegrond en veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt blijvend geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid; het beroep wordt ongegrond verklaard.