ECLI:NL:CRVB:2005:AT8720
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- B.I. Klaassens
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit geen recht op WW-uitkering wegens fictieve opzegtermijn na ontbinding arbeidsovereenkomst
Appellant was sinds 1 september 1997 in dienst bij een werkgever. De arbeidsovereenkomst werd op verzoek van de werkgever ontbonden door de kantonrechter met ingang van 1 juni 2001. Appellant vroeg een WW-uitkering aan, maar het UWV weigerde deze tot 1 juli 2001 toe te kennen vanwege de fictieve opzegtermijn zoals bedoeld in artikel 16, derde lid, van de WW.
De kern van het geschil betrof de vraag of de arbeidsovereenkomst eindigde door ontbinding door de kantonrechter of met wederzijds goedvinden. Appellant stelde dat hij het schriftelijke voorstel van de werkgever tot beëindiging met wederzijds goedvinden had aanvaard. De Raad oordeelde echter dat de arbeidsovereenkomst pas eindigde door de ontbindingsbeschikking van de kantonrechter op 10 mei 2001.
De Raad verwees naar een eerdere uitspraak met vergelijkbare feiten en argumenten en bevestigde het standpunt van het UWV dat de fictieve opzegtermijn aanvangt na de ontbindingsbeschikking. De aangevallen uitspraak werd dan ook bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat geen recht op WW-uitkering bestaat gedurende de fictieve opzegtermijn na ontbinding door de kantonrechter.