ECLI:NL:CRVB:2005:AT8384
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- R.H.M. Roelofs
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) als alleenstaande ouder. Naar aanleiding van een onderzoek van de sociale recherche werd vastgesteld dat zij gedurende de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 juli 2001 een gezamenlijke huishouding voerde met haar partner, zonder dit aan het College van burgemeester en wethouders te melden.
De Raad stelde vast dat appellante en haar partner in de periode van 1 juli 1997 tot 15 oktober 1998 samenwoonden in één woning en dat ook daarna, ondanks het aanhouden van aparte adressen, sprake was van feitelijke samenwoning. Dit werd onder meer bevestigd door een verklaring van appellante zelf, verklaringen van buurtbewoners en observaties van de sociale recherche.
Omdat appellante ten onrechte als alleenstaande ouder werd aangemerkt en zij haar inlichtingenverplichting schond, was het College gehouden de bijstand in te trekken. De Raad vond geen reden om van intrekking af te zien en verwierp het hoger beroep. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wordt bevestigd wegens het niet melden van een gezamenlijke huishouding.