ECLI:NL:CRVB:2005:AT8359
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WW-uitkering wegens niet beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt
Appellante was sinds 1992 werkzaam als schoonmaakster en viel in februari 2000 wegens ziekte uit. Na afwijzing van een WAO-uitkering werd haar per 22 februari 2001 een WW-uitkering toegekend. In 2002 werd de uitkering tijdelijk onderbroken wegens ziekte. Op een werkbriefje gaf appellante aan niet beschikbaar te zijn voor arbeid vanwege medische klachten. Gedaagde concludeerde hieruit dat zij niet meer beschikbaar was en beëindigde de WW-uitkering per 17 juni 2002.
Appellante maakte bezwaar tegen deze beëindiging, maar dit werd ongegrond verklaard door gedaagde en bevestigd door de rechtbank Rotterdam. In hoger beroep stelde appellante dat zij wel beschikbaar was, onder meer door inschrijving bij het CWI en sollicitaties. De Raad overwoog echter dat appellante niet kon aantonen daadwerkelijk te hebben gesolliciteerd en dat haar taalproblemen en lage opleiding niet voldoende waren om de onjuiste invulling van werkbriefjes te rechtvaardigen.
De Raad concludeerde dat de rechtbank terecht het beroep ongegrond had verklaard en bevestigde de beëindiging van de WW-uitkering. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het hoger beroep werd daarmee verworpen.
Uitkomst: De WW-uitkering van appellante wordt beëindigd wegens niet beschikbaar zijn voor arbeid.