ECLI:NL:CRVB:2005:AT8267
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- R.H.M. Roelofs
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Onterecht aannemen gezamenlijke huishouding bij intrekking en terugvordering bijstandsuitkering
Appellante ontving sinds 1988 bijstand, berekend als alleenstaande. Na een onderzoek naar een vermeende gezamenlijke huishouding met haar partner, concludeerde de gemeente dat zij vanaf juni 1995 samenwoonden, waarop de bijstand werd ingetrokken en teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, maar in hoger beroep oordeelt de Raad dat onvoldoende feiten en bewijs zijn geleverd om te concluderen dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. Appellante en partner stonden ingeschreven op verschillende adressen en de verklaringen en onderzoeksgegevens boden geen overtuigend bewijs van samenwonen.
De Raad vernietigt daarom de besluiten van 5 maart 2002 en herroept de besluiten van 9 juni 2000. Tevens veroordeelt de Raad de gemeente in de proceskosten en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: De besluiten tot intrekking en terugvordering van bijstand worden vernietigd wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijke huishouding.