ECLI:NL:CRVB:2005:AT8043
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- B.M. van Dun
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verwijtbaarheid werkloosheid na afwijzing verlenging tijdelijk dienstverband
Appellant was sinds 1 oktober 2002 in dienst bij een grafisch bedrijf op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van zes maanden. Na een gesprek over functioneren en salarisverhoging bood de werkgever een verlenging van het contract voor drie maanden aan, welke appellant afwees. Hierdoor eindigde het dienstverband op 1 april 2003.
De werkgever weigerde vervolgens de WW-uitkering aan appellant wegens verwijtbare werkloosheid. Appellant voerde aan dat het aanbod in strijd was met eerdere afspraken over urenuitbreiding en salarisverhoging conform de Grafische CAO. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat appellant het aanbod had moeten accepteren.
In hoger beroep bevestigde de Raad dat geen sprake was van een verplichting tot salarisverhoging of urenuitbreiding in het verlengingscontract. Ook was het functioneren van appellant onvoldoende om aanspraak te maken op een hogere beloning. De Raad concludeerde dat appellant het aanbod tot verlenging had moeten accepteren en dat de werkloosheid hem in overwegende mate verweten kan worden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de weigering van de WW-uitkering bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WW-uitkering bevestigd.