ECLI:NL:CRVB:2005:AT7855
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verwijtbaarheid bij weigering WW-uitkering na beëindiging dienstverband wegens reiskosten
Appellant was sinds december 1999 als timmerman werkzaam in Soest en ontving aanvankelijk een onbelaste reiskostenvergoeding per kilometer. Na acht weken werd deze vergoeding belast en vervangen door een forfaitaire onbelaste vergoeding en een salarisverhoging, wat resulteerde in een substantiële inkomensachteruitgang.
Appellant beëindigde zijn dienstverband na ongeveer twee maanden vanwege financiële onhaalbaarheid van de reiskosten en verzocht om een WW-uitkering. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) weigerde deze uitkering omdat appellant verwijtbaar werkloos was geworden door ontslag te nemen terwijl redelijkerwijs van hem verwacht kon worden te blijven werken.
De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad stelde vast dat de inkomensachteruitgang weliswaar aanzienlijk was, maar niet zo groot als appellant stelde, en dat de vergoeding en salarisverhoging de reiskosten voldoende compenseerden. Ook vond de Raad dat appellant niet alle redelijke maatregelen had genomen om werkloosheid te voorkomen en dat de beëindiging van het dienstverband in overwegende mate verwijtbaar was.
De Raad zag geen dringende redenen die terugvordering van de reeds verstrekte voorschotten in de weg stonden en verwierp het beroep van appellant. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na beëindiging van het dienstverband.