ECLI:NL:CRVB:2005:AT7830

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 juni 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/789 WUBO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • C.G. Kasdorp
  • G.L.M.J. Stevens
  • H.R. Geerling-Brouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945Art. 7:12 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:75 Algemene wet bestuursrechtArt. 19 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit erkenning burger-oorlogsslachtoffer wegens onvoldoende motivering seksuele intimidatie

Eiseres, geboren in 1929 op Borneo, verzocht om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van lichamelijke en psychische klachten die zij toeschrijft aan gebeurtenissen tijdens de Japanse bezetting en de Bersiap-periode. Zij stelde onder meer dat zij op jonge leeftijd door een Japanse officier was aangerand en dat zij met haar gezin moest vluchten naar kamp Gedong Delapan.

Verweerster wees het verzoek af omdat de genoemde gebeurtenissen niet onder de werking van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 vallen. Met name werd geoordeeld dat er geen sprake was van daadwerkelijk seksueel geweld en dat de vlucht niet onder levensbedreigende omstandigheden plaatsvond.

De Raad oordeelt echter dat seksuele intimidatie door tot de bezettende macht behorende personen, ook zonder daadwerkelijk seksueel geweld, als calamiteit moet worden beschouwd. De Raad volgt verweerster niet in haar oordeel dat de aanranding niet als calamiteit kwalificeert. Het besluit wordt daarom vernietigd en verweerster wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze overwegingen.

Daarnaast wordt verweerster veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht van eiseres. De Raad acht de motivering van het bestreden besluit onvoldoende en daarmee strijdig met het motiveringsbeginsel van de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerster wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.

Uitspraak

04/789 WUBO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Verweerster heeft onder dagtekening 20 januari 2004, kenmerk JZ/R60/2003, ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945(hierna: de Wet).
Tegen dit besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld op de in het beroepschrift aangegeven gronden.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 28 april 2005, waar eiseres, met voorafgaand bericht, niet is verschenen. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door J.A. Groeneveld, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Eiseres, geboren in 1929 op Borneo in het voormalige Nederlands-Indië, heeft zich in mei 2003 tot verweerster gewend met een verzoek te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een toeslag als bedoeld in artikel 19 van Pro de Wet.
Dit verzoek heeft eiseres gebaseerd op bij haar bestaande lichamelijke en psychische klachten, die zij toeschrijft aan hetgeen haar in de oorlog is overkomen. Daartoe heeft eiseres aangevoerd, dat zij tijdens de Japanse bezetting:
1. op ongeveer 13-jarige leeftijd door een Japanse officier is aangerand;
2. een keer voor straf uren in de zon heeft moeten staan;
3. zij van een Japanse officier klappen op haar oor heeft gekregen;
tijdens de Bersiap-periode:
4. met het gezin heeft moeten vluchten naar kamp Gedong Delapan;
5. een jongen met een voor straf opengesneden buik heeft zien liggen.
Verweerster heeft het verzoek van eiseres afgewezen bij besluit van 6 november 2003, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond dat de eiseres overkomen oorlogsgebeurtenissen niet onder de werking van artikel 2 van Pro de Wet vallen.
Verweerster heeft daarbij in het bijzonder overwogen dat de door eiseres genoemde seksuele toenadering door een Japanse officier niet heeft geleid tot daadwerkelijk tegen eiseres gericht seksueel geweld, omdat zij door de binnenkomst van haar moeder tijdig heeft kunnen vluchten. Met betrekking tot de vlucht naar kamp Gedong Delapan is verweerster van oordeel dat niet is komen vast te staan dat die vanuit dan wel onder levensbedreigende omstandigheden heeft plaatsgevonden. Ten aanzien van het zien van een gewonde jongen is verweerster voorts van oordeel dat dit niet als directe confrontatie met zware mishandeling (artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d) kan worden beschouwd, aangezien eiseres niet bij de mishandeling aanwezig is geweest.
De Raad heeft in dit geding de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit, gelet op hetgeen eiseres in beroep heeft aangevoerd, in rechte stand kan houden.
De Raad overweegt het volgende.
Met betrekking tot de hierboven onder 2. tot en met 5. genoemde gebeurtenissen deelt de Raad het door verweerster ingenomen standpunt dat deze niet onder de werking van de Wet kunnen worden gebracht. Dat, zoals eiseres in beroep stelt, zij het niet zouden hebben overleefd als zij niet naar Gedong Delapan waren gevlucht, brengt nog niet mee dat ten tijde van de vlucht daadwerkelijk sprake was van levensbedreigende omstandigheden, bijvoorbeeld doordat zij onderweg beschoten zijn. Eiseres heeft daarvan zelf geen melding gemaakt en ook overigens is daarvan niet gebleken.
Wat betreft de onder 1. vermelde gebeurtenis, de aanranding door een Japanse officier, kan de Raad verweerster echter in haar opvatting niet volgen.
Eiseres heeft bij haar aanvraag aangegeven dat zij door een Japanse officier die al eerder belangstelling voor haar had getoond achtervolgd is naar haar slaapkamer en dat hij haar begon te strelen terwijl hij zijn broek losmaakte. Slechts doordat haar moeder kwam binnen stormen en hem de deur uit kon werken, is erger voorkomen. Eiseres is vervolgens in paniek naar het buitentoilet gevlucht, waar hij haar opnieuw achterna kwam. Een buurjongetje wist hem toen door een list weg te lokken.
Door verweerster wordt niet betwist dat deze gebeurtenis heeft plaatsgevonden, maar verweerster heeft dit, omdat er geen sprake is geweest van daadwerkelijk seksueel geweld, niet willen aanmerken als een calamiteit in de zin van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet.
Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen (zie CRvB 27 mei 1999, 97/6775 WUBO, JSV 1999/305) moet seksuele intimidatie, mits door tot de bezettende macht behorende personen in het kader van door deze bezettende macht uitgeoefende taken, ook als dit niet verder gaat dan betastingen, worden gezien als een handeling die door of namens de bezettende macht tegen de betrokkene persoonlijk is gericht en derhalve als een in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bedoelde calamiteit.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering en wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet worden vernietigd.
Van voor de toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in aanmerking komende kosten is de Raad niet gebleken.
De Raad beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat verweerster een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Bepaalt dat de Pensioen- en Uitkeringsraad aan eiseres het griffierecht van € 27,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Dissel-Singhal als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2005.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) A.D. van Dissel-Singhal.