ECLI:NL:CRVB:2005:AT7746
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- N.J. Haverkamp
- Rechtspraak.nl
Vaststelling van 25% arbeidsongeschiktheid en toekenning WAZ-uitkering na onjuiste schatting
Appellant, een zelfstandig horeca-exploitant, werd op 27 februari 2001 arbeidsongeschikt door knieklachten. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) weigerde hem een WAZ-uitkering toe te kennen omdat hij minder dan 25% arbeidsongeschikt zou zijn. De medische en arbeidskundige beoordelingen leidden tot de conclusie dat er geen verlies aan verdiencapaciteit was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat het medisch onderzoek onvoldoende was en verzocht om aanvullend medisch onderzoek. De Raad oordeelde echter dat de bestaande medische rapporten voldoende waren en dat appellant geen tegenbewijs had geleverd. Wel stelde de Raad vast dat één van de geselecteerde functies (boekhouder) niet in aanmerking kwam, wat de berekening van de arbeidsongeschiktheid beïnvloedde.
Door het vervallen van deze functie en het meenemen van de functie kassamedewerker veranderde de loonwaarde en reductiefactor, waardoor de mate van arbeidsongeschiktheid ten minste 25% bedraagt. De Raad vernietigde het bestreden besluit en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde recht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep stelt vast dat appellant ten minste 25% arbeidsongeschikt is en vernietigt het bestreden besluit, waardoor appellant recht heeft op een WAZ-uitkering.