ECLI:NL:CRVB:2005:AT7746

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 juni 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/3848 WAZ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ)
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling van 25% arbeidsongeschiktheid en toekenning WAZ-uitkering na onjuiste schatting

Appellant, een zelfstandig horeca-exploitant, werd op 27 februari 2001 arbeidsongeschikt door knieklachten. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) weigerde hem een WAZ-uitkering toe te kennen omdat hij minder dan 25% arbeidsongeschikt zou zijn. De medische en arbeidskundige beoordelingen leidden tot de conclusie dat er geen verlies aan verdiencapaciteit was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.

In hoger beroep stelde appellant dat het medisch onderzoek onvoldoende was en verzocht om aanvullend medisch onderzoek. De Raad oordeelde echter dat de bestaande medische rapporten voldoende waren en dat appellant geen tegenbewijs had geleverd. Wel stelde de Raad vast dat één van de geselecteerde functies (boekhouder) niet in aanmerking kwam, wat de berekening van de arbeidsongeschiktheid beïnvloedde.

Door het vervallen van deze functie en het meenemen van de functie kassamedewerker veranderde de loonwaarde en reductiefactor, waardoor de mate van arbeidsongeschiktheid ten minste 25% bedraagt. De Raad vernietigde het bestreden besluit en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde recht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep stelt vast dat appellant ten minste 25% arbeidsongeschikt is en vernietigt het bestreden besluit, waardoor appellant recht heeft op een WAZ-uitkering.

Uitspraak

03/3848 WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Gedaagde heeft bij besluit van 27 juni 2002 geweigerd appellant een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toe te kennen omdat hij op en na 19 februari 2002 minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht.
Bij besluit van 21 oktober 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 27 juni 2002 ongegrond verklaard.
De rechtbank Roermond heeft bij uitspraak van 15 juli 2003, nummer 02/1251 WAZ, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Appellant heeft op gronden, uiteengezet in het beroepschrift en nadien aangevuld, tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Gedaagde heeft een vraag van de Raad beantwoord, onder bijvoeging van stukken.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 27 april 2005, waar appellant niet is verschenen en gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. A.E.M. Kuppens, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Appellant, een zelfstandig horeca-exploitant, is op 27 februari 2001 als gevolg van knieklachten arbeidsongeschikt geworden. Bij het primaire besluit van 27 juni 2002, in stand gelaten bij het bestreden besluit, heeft gedaagde geweigerd appellant na ommekomst van de wachttijd van 52 weken een uitkering ingevolge de WAZ toe te kennen. Dit besluit berust op een medische en arbeidskundige beoordeling, waarbij de verzekeringsarts H. Jagt blijkens diens rapport van 7 maart 2002 op grond van de knieklachten van appellant beperkingen heeft vastgelegd in een Funcionele Mogelijkheden Lijst. Met inachtneming van deze beperkingen heeft de arbeidsdeskundige W.H.M. Zuurveld blijkens diens rapport van 13 mei 2002 functies geselecteerd met een zodanige loonwaarde, dat na vergelijking met het inkomen van de maatman geen verlies aan verdiencapaciteit resteert. Een op 2 oktober 2002 door de bezwaararbeidsdeskundige P.M.J. Kursten uitgevoerde correctie van het maatmaninkomen heeft niet geleid tot een andere uitkomst. De bezwaarverzekeringsarts P. Tjen heeft zich in zijn rapport van 9 oktober 2002 achter de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts Jagt gesteld.
De rechtbank heeft het bestreden besluit in stand gelaten. Voor de medische component heeft de rechtbank zich daarbij laten leiden door de rapporten van de verzekeringsarts Jagt en de bezwaarverzekeringsarts Tjen, daarbij mede van betekenis achtend dat deze artsen beschikten over informatie van de behandelende orthopedisch chirurg
dr. W.M. van Leeuwen. Ten aanzien van de arbeidskundige component heeft de rechtbank eveneens het standpunt van gedaagde gevolgd.
In hoger beroep heeft appellant het onderzoek van de verzekeringsarts onvoldoende geacht en zijn verzoek herhaald tot het doen verrichten van medisch onderzoek door een deskundige.
De Raad oordeelt als volgt.
Met betrekking tot de medische onderbouwing van het bestreden besluit heeft de Raad geen reden gevonden anders te oordelen dan de rechtbank. De Raad heeft hierbij mede van belang geacht dat appellant geen medische gegevens heeft overgelegd die aan de juistheid van de bevindingen van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts zouden doen twijfelen. De Raad acht de onderzoeken van deze artsen voldoende grondig en ziet geen aanleiding tot het benoemen van een deskundige.
Ten aanzien van de arbeidskundige component heeft de gemachtigde van gedaagde ter zitting van de Raad een nadere toelichting gegeven op de geselecteerde functies. Daaruit is naar voren gekomen dat van de vier geselecteerde functies, te weten die van acquisiteur (SBC-code 516180), boekhouder (SBC-code 515070), productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) en kassamedewerker (SBC-code 317030), de functie van boekhouder dient te vervallen wegens een actualiseringsdatum van na de datum in geding terwijl niet is komen vast te staan dat de functie voordien in het systeem voorkwam. Van de resterende drie functies is de Raad niet gebleken dat zij niet in overeenstemming zouden zijn met de belastbaarheid van appellant. Door het vervallen van de functie van boekhouder en het wel aan de schatting ten grondslag leggen van de functie van kassamedewerker veranderen zowel het mediane loon als de reductiefactor. Dit leidt er toe dat de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid een uitkomst heeft van tenminste 25%, zodat aan appellant een uitkering ingevolge de WAZ toekomt.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit niet in stand kunnen blijven.
De Raad ziet tevens aanleiding om gedaagde op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Verstaat dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 322,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde recht van € 114,23 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en mr. M.C. Bruning en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2005.
(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
MR