ECLI:NL:CRVB:2005:AT7717
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld wegens niet-zwangerschapsgerelateerde arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkzaam als haarstyliste en ging met zwangerschapsverlof, waarna zij na haar bevallingsverlof haar werkzaamheden hervatte. Na vier weken werken viel zij uit wegens psychische klachten. Een verzekeringsarts oordeelde dat zij arbeidsongeschikt was, maar niet ten gevolge van zwangerschap of bevalling. De uitkering op grond van artikel 29a Ziektewet werd geweigerd.
In bezwaar stelde appellante dat haar klachten gerelateerd waren aan zwangerschap, bevalling en medicatie, maar een bezwaarverzekeringsarts concludeerde dat deze klachten geen nieuwe medische feiten toevoegden en dat de indicatie van arbeidsongeschiktheid gerelateerd aan zwangerschap was komen te vervallen.
De rechtbank en de Centrale Raad van Beroep bevestigden dat de arbeidsongeschiktheid niet voldoende verband hield met zwangerschap of bevalling om recht op ziekengeld te geven. De Raad oordeelde dat appellante na haar bevallingsverlof vier weken ononderbroken had gewerkt en dat de diagnose depressie post partum pas op 21 juni 2001 werd gesteld, waardoor geen recht op ziekengeld bestond volgens artikel 29a Ziektewet.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op ziekengeld omdat haar arbeidsongeschiktheid niet het gevolg is van zwangerschap of bevalling.