ECLI:NL:CRVB:2005:AT7641
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bijzonder geval voor terugwerkende WAZ-uitkering afgewezen
Appellant diende op 31 oktober 2000 een aanvraag in voor een WAZ-uitkering met terugwerkende kracht vanaf 16 oktober 1999. De verzekeringsarts stelde vast dat appellant volledig arbeidsongeschikt was sinds 14 maart 1995, de dag van zijn opsluiting in een politiecel. Gedaagde kende de uitkering toe met terugwerkende kracht van één jaar, maar wees een verder terugwerkende aanvraag af omdat geen sprake was van een bijzonder geval zoals bedoeld in artikel 36, tweede lid, van de WAZ.
De rechtbank bevestigde dit standpunt en oordeelde dat appellant, ondanks zijn ernstige psychische klachten, in staat was om in 1995 te beseffen dat hij arbeidsongeschikt was en daarom niet gerechtvaardigd was in zijn late aanvraag. Appellant stelde in hoger beroep dat hij destijds door zijn ziektebeeld niet kon beseffen dat hij arbeidsongeschikt was en zijn belangen niet goed kon behartigen.
De Raad overwoog dat een bijzonder geval alleen aan de orde is wanneer de verzekerde door zijn geestelijke gezondheidstoestand redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest. Uit de medische stukken bleek dat appellant in maart 1995 al ernstige psychische klachten had die hij zelf onderkende en waarvan hij de invloed op zijn arbeidsgeschiktheid kon beseffen. De Raad achtte het niet aannemelijk dat deze klachten een beletsel vormden om toen een uitkering aan te vragen.
De Raad wees het verzoek om een deskundigenonderzoek af en zag geen grond voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het beroep van appellant ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen bijzonder geval is en wijst het beroep af, waardoor de terugwerkende kracht van de WAZ-uitkering beperkt blijft tot één jaar voor de aanvraag.