ECLI:NL:CRVB:2005:AT7524
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing vergoeding reis- en verletkosten bij WW-uitkering
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) waarin haar WW-uitkering werd vastgesteld op basis van een gemiddeld arbeidsurenaantal van 33,12 uur per week. Tevens werd haar verzoek om vergoeding van schade en van reis- en verletkosten van haar gemachtigde afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelt appellante dat het urenaantal onjuist is vastgesteld en dat de vergoeding van kosten ten onrechte is afgewezen. De Raad constateert dat de besluitvorming door het UWV gesplitst was, wat in strijd is met artikel 7:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hoewel dit formele gebrek geen nadeel voor appellante opleverde, leidt het wel tot vernietiging van het besluit voor zover het de vergoeding van reis- en verletkosten betreft.
De Raad bevestigt dat het gemiddeld arbeidsurenaantal juist is vastgesteld en dat het uurloon niet relevant is voor de berekening van de kortdurende WW-uitkering. Het verzoek om vergoeding van schade wordt eveneens afgewezen. Wel veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van de reis- en verletkosten van de gemachtigde die niet beroepsmatig rechtsbijstand verleende, begroot op in totaal €159,--. Tevens wordt het betaalde griffierecht vergoed.
Uitkomst: Het beroep wordt deels gegrond verklaard en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van reis- en verletkosten van de gemachtigde.