ECLI:NL:CRVB:2005:AT7191
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- R.H.M. Roelofs
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Vernietiging terugvordering Anw-uitkering wegens onjuiste vaststelling gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 1997 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). De Sociale verzekeringsbank beëindigde deze uitkering met ingang van oktober 1999 omdat appellante een gezamenlijke huishouding zou voeren met haar partner. Vervolgens werd een bedrag teruggevorderd dat volgens de SVB te veel was betaald.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar in hoger beroep stelde de Centrale Raad van Beroep vast dat het standpunt van de SVB over het begin van de gezamenlijke huishouding onjuist was. Uit nader onderzoek bleek dat tot eind 1999 nog sprake was van een meerpersoonshuishouden, waardoor de gezamenlijke huishouding met de partner pas later kon worden aangenomen.
De Raad oordeelde dat het eerdere besluit en de uitspraak van de rechtbank daarom vernietigd moesten worden. Tevens werd vastgesteld dat appellante en haar partner vanaf het vertrek van de zoon voldeden aan het criterium van wederzijdse verzorging, en dat de partner niet als hulpbehoevende in de zin van de Anw kon worden aangemerkt.
De Raad veroordeelde de SVB in de proceskosten en bepaalde dat een nieuw besluit op bezwaar moet worden genomen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellante vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot terugvordering van de Anw-uitkering wordt vernietigd en een nieuw besluit moet worden genomen.