ECLI:NL:CRVB:2005:AT6820
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering loongerelateerde WW-uitkering wegens niet voldoen aan vier-uit-vijf-eis
Appellanten, beiden 45 jaar of ouder in 1999, waren sinds 1997 in dienst bij een bedrijf dat in 2000 failliet werd verklaard. Na het faillissement nam de curator ontslag met inachtneming van een wettelijke opzegtermijn. Appellanten vroegen een WW-uitkering aan, waarbij zij werden toegekend tot een kortdurende uitkering vanaf 22 december 2000, omdat zij volgens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) niet voldeden aan de vier-uit-vijf-eis voor een loongerelateerde uitkering.
Appellanten voerden aan dat de opzegtermijn verkeerd was vastgesteld en dat de eerste werkloosheidsdag in 2001 viel, waardoor zij wel aan de eis zouden voldoen. De rechtbank oordeelde echter dat de opzegtermijn gemaximeerd was op zes weken en dat de overgangsbepaling van de Wet Flexibiliteit en zekerheid niet van toepassing was, waardoor de dienstbetrekkingen eindigden in december 2000.
In hoger beroep bevestigde de Raad dat de overgangsregeling van artikel XXI van de Wet Flexibiliteit en zekerheid wel van toepassing is, maar dat de eerste werkloosheidsdag toch in 2000 viel. Hierdoor voldeden appellanten niet aan de vier-uit-vijf-eis en was de toekenning van alleen de kortdurende WW-uitkering terecht. Verder stelde de Raad dat appellanten geen bewijs hadden geleverd voor een langere opzegtermijn en dat zij geen bezwaar hadden gemaakt tegen eerdere besluiten over de opzegtermijn.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellanten slechts recht hebben op een kortdurende WW-uitkering omdat hun eerste werkloosheidsdag in 2000 viel en zij niet voldoen aan de vier-uit-vijf-eis.