ECLI:NL:CRVB:2005:AT6812
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling gedifferentieerde premie WAO voor kleine werkgever bevestigd
Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam die het besluit tot vaststelling van de gedifferentieerde premie WAO 2003 ten laste van gedaagde vernietigde. De rechtbank had geoordeeld dat artikel 4a van het Besluit premiedifferentiatie WAO onverbindend was wegens strijd met artikel 78, zesde lid, van de WAO.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het hoger beroep slaagt omdat de tekst van artikel 78, zesde lid, WAO met terugwerkende kracht is herzien, waardoor het beroep op de onverbindendheid van artikel 4a faalt. De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en gaat over tot beoordeling van overige beroepsgronden die de rechtbank onbesproken liet.
De Raad bevestigt dat gedaagde terecht als kleine werkgever is aangemerkt, omdat het premieloon ruim onder de grens van €601.258,79 lag. De discussie over het meetellen van winst van vennoten is irrelevant omdat dit het premieloon niet boven de grens zou brengen. Subsidiaire gronden over het betrekken van WAO-uitkeringen bij de premie zijn niet relevant omdat de premie los van het individuele arbeidsongeschiktheidsrisico is vastgesteld.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vaststelling van de gedifferentieerde premie WAO 2003 voor gedaagde blijft gehandhaafd.