ECLI:NL:CRVB:2005:AT6798
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAZ-uitkering en terugvordering onverschuldigde betalingen bij zelfstandige met meewerkende echtgenote
Appellant, een zelfstandig ondernemer met een meewerkende echtgenote, ontving een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAZ. Na herbeoordeling van zijn inkomen over de jaren 1997 tot en met 1999, waarbij een winstverdeling van 75% voor appellant en 25% voor zijn echtgenote werd gehanteerd in plaats van 50%/50%, concludeerde het UWV dat appellant minder dan 25% arbeidsongeschikt was. Hierdoor werd de uitkering per 1 januari 1999 beëindigd en onverschuldigde betalingen teruggevorderd.
Appellant voerde aan dat de winstverdeling gelijk had moeten zijn en dat de terugvordering onterecht en bruto was. De Raad oordeelde dat de gehanteerde winstverdeling juist was, omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de arbeidsinbreng van zijn echtgenote gelijkwaardig was geworden. De bruto terugvordering was gerechtvaardigd vanwege fiscale afsluiting van de betreffende jaren.
De Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat de uitkering terecht was ingetrokken en de terugvordering rechtmatig was. Tevens werd vastgesteld dat het UWV appellant inzicht moet geven in de specificatie van de terugvorderingen en betalingen over de relevante jaren.
Uitkomst: De intrekking van de WAZ-uitkering en de bruto terugvordering van onverschuldigde betalingen worden bevestigd.