ECLI:NL:CRVB:2005:AT6797
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld wegens geschiktheid voor eerder voorgehouden functies
Appellante werd op 15 juli 2002 schriftelijk geïnformeerd dat zij geen ziekengeld meer zou ontvangen omdat zij niet langer ongeschikt werd geacht voor haar arbeid. Na eerdere ziekmeldingen wegens psychische en rugklachten werd zij op 4 maart 2002 medisch beoordeeld en geacht lichtere werkzaamheden te kunnen verrichten. De functies die haar werden voorgehouden boden een inkomen dat haar niet arbeidsongeschikt maakte in de zin van de WAO.
Na een operatie aan haar linkerhand en een periode van ziekte werd appellante op 15 juli 2002 opnieuw medisch onderzocht. De verzekeringsarts stelde vast dat zij geschikt was voor de eerder voorgehouden functies, die als maatstaf voor arbeid gelden volgens artikel 19 van Pro de Ziektewet. Het bezwaar tegen het besluit om het ziekengeld te weigeren werd ongegrond verklaard, mede op basis van het rapport van de bezwaarverzekeringsarts die geen nieuwe beperkingen vaststelde.
De Raad concludeert dat de medische gegevens de stelling van appellante dat haar beperkingen zijn onderschat niet ondersteunen. Ook haar psychische klachten zijn expliciet beoordeeld. Daarom wordt het bestreden besluit bevestigd en is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld omdat appellante geschikt is voor eerder voorgehouden functies.