de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,
[gedaagde], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant is in hoger beroep gekomen tegen de tussen partijen op 25 maart 2003 onder kenmerk 02/825 door de rechtbank Assen gewezen uitspraak, in zoverre daarbij het inleidend beroep door de rechtbank gegrond is verklaard.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 9 december 2004, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mrs. F. Costa Baïôa en D.B. Smaalders, werkzaam bij het Uwv, en namens gedaagde zijn verschenen haar vennoten [vennoot 1] en [vennoot 2].
Naar aanleiding van een in februari 2002 gehouden looncontrole heeft appellant gedaagde, voor zover nog van belang, boetenota’s opgelegd over de jaren 1997 tot en met 2001 vanwege de aanspraak op warme maaltijden die het keukenpersoneel van gedaagde in de betreffende jaren ontleent aan de collectieve arbeidsovereenkomst voor de horeca- en aanverwante bedrijven (hierna: de CAO). Appellant stelt zich daarbij op het standpunt dat het recht op deze maaltijden moet worden aangemerkt als het verstrekken van loon in natura, omdat deze maaltijden vorderbaar en inbaar zouden zijn als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV), zelfs als de betreffende werknemers de verstrekking van deze maaltijden niet wensen. Appellant heeft boetes opgelegd ad 25% van de nageheven premies.
Het bezwaar van gedaagde is bij het bestreden besluit van 22 augustus 2002 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep, voor zover gericht tegen de boetes in verband met het niet verantwoorden van aanspraken op de hiervoor bedoelde maaltijden in de loonadministratie, gegrond verklaard, dat deel van het bestreden besluit vernietigd, en appellant opgedragen om met inachtneming van haar uitspraak daaromtrent een nieuw besluit te nemen, en Uwv gelast tot vergoeding van proceskosten en het door gedaagde betaalde griffierecht. Daartoe heeft de rechtbank overwogen, samengevat, dat gedaagde een pleitbaar standpunt heeft ingenomen, als zij haar stelling aantoont dat de fiscus destijds uitdrukkelijk heeft ingestemd met haar wijze van (niet) verantwoorden van de CAO-maaltijden.
In artikel 7 van de CAO is - samengevat - bepaald dat, indien hij dat wenst, de werknemer die werkzaam is in de keuken, recht heeft op een gratis warme maaltijd op de dagen dat hij werkzaam is in het bedrijf. De werknemer heeft in geen geval recht op een geldelijke vergoeding in plaats van deze maaltijd.
De Raad onderschrijft, zij het op andere gronden, het oordeel van de rechtbank, dat gedaagde met betrekking tot het niet verantwoorden van feitelijk niet genoten, CAO-maaltijden een standpunt heeft ingenomen dat in die mate verdedigbaar was dat zij redelijkerwijs kon menen juist te handelen door de niet genoten CAO-maaltijden niet als loonbestanddeel te verantwoorden. Daartoe sluit de Raad aan bij zijn uitspraak van 21 april 2005 in de zaak 02/3666 CSV, waarin de Raad als zijn oordeel tot uitdrukking heeft gebracht dat loon dat niet is genoten, niet kan worden aangemerkt als uit dienstbetrekking genoten loon in de zin van artikel 4, eerste lid, van de CSV. Dit artikellid strekt niet zover dat reeds het bestaan van een recht op een bepaald loonbestanddeel al met zich brengt dat dit bestanddeel heeft te gelden als een uit dienstbetrekking behaald voordeel. Naar het oordeel van de Raad kan het in de CAO vervatte recht op een warme maaltijd voorts niet worden aangemerkt als een aanspraak in de zin van artikel 4, tweede lid, van de CSV. Dit artikellid ziet op een voordeel uit dienstbetrekking dat in de toekomst - na verloop van tijd of onder een voorwaarde - verwerkelijkt kan worden.
In artikel 5, aanhef en onder b, van de CSV is bepaald dat loon wordt beschouwd te zijn genoten op het tijdstip waarop het vorderbaar en inbaar is geworden. Deze bepaling strekt ertoe om te bepalen of en, zo ja, wanneer premies voor de sociale werknemers-verzekeringswetten dienen te worden afgedragen. Naar het oordeel van de Raad strekt deze bepaling niet zover dat een loonbestanddeel dat niet is ontvangen en na het tijdstip waarop het ontvangen had kunnen worden, ook niet meer kan worden ontvangen, toch als loon aan te merken. Een niet genoten maaltijd kan niet naderhand alsnog worden genoten. De Raad wijst er hierbij ook op dat de CAO een geldelijke compensatie voor een niet genoten maaltijd uitsluit. De mening van appellant dat een maaltijd reeds vorderbaar is, omdat gedaagde maaltijden had moeten verstrekken zodra haar werknemers dat wensten, deelt de Raad niet. Een maaltijd wordt pas vorderbaar nadat een werknemer daarom verzoekt. Ook al zal het verzoek om een warme maaltijd en het vorderen daarvan in de tijd nagenoeg samenvallen, zulks neemt niet weg dat wil een maaltijd vorderbaar zijn, wel aan de voorwaarde moet worden voldaan dat de wens daartoe kenbaar is gemaakt. Aan deze voorwaarde wordt zeker niet voldaan indien een werknemer juist te kennen heeft gegeven op een warme maaltijd geen prijs te stellen.
Op grond van zijn beleid gaat appellant er onder zodanige omstandigheden van uit dat van opzet of grove schuld geen sprake is.
Het hoger beroep slaagt daarom niet.
Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten aan de zijde van gedaagde is de Raad in hoger beroep niet gebleken.
De Centrale Raad van Beroep,
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een recht van € 409,-- wordt geheven.
Gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. R.C. Stam en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2005.
(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.