ECLI:NL:CRVB:2005:AT6765
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- N.J. Haverkamp
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering en terugvordering onverschuldigde betalingen
Appellante ontving vanaf 1994 een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de AAW en later de WAO. Vanaf 1 april 1998 verrichtte zij arbeid waarvoor zij inkomsten genoot, die zij niet tijdig aan het UWV meldde. Het UWV trok daarom haar WAO-uitkering met terugwerkende kracht in en vorderde onverschuldigd betaalde bedragen terug.
De rechtbank stelde het terug te vorderen bedrag vast op €4.536,57 na matiging van 10% wegens overschrijding van redelijke termijnen door het UWV. Appellante stelde in hoger beroep dat een verdere matiging op zijn plaats was, onder meer vanwege het vertrouwensbeginsel en het zogenoemde 6-maandenbeleid.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de matiging van 10% voldoende was en dat er geen dringende reden was voor verdere vermindering. Het beroep op het 6-maandenbeleid en de 6-maandenjurisprudentie werd verworpen omdat deze niet van toepassing waren op de periode na 1 augustus 1996. De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering en de terugvordering van €4.536,57 met een matiging van 10%.