ECLI:NL:CRVB:2005:AT6762
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na eigen ontslag
Appellant was in dienst bij twee werkgevers en nam bij beide ontslag zonder voldoende onderbouwing of onderzoek naar de soliditeit van de tweede werkgever. Hij verzocht om een WW-uitkering, maar deze werd geweigerd omdat hij verwijtbaar werkloos werd geacht.
De Raad oordeelde dat appellant lichtvaardig had gehandeld door zijn dienstverband bij de eerste werkgever te beëindigen om bij de tweede werkgever te gaan werken zonder zich te vergewissen van diens soliditeit. De door appellant aangevoerde redenen, zoals de vrees dat de eerste werkgever het niet zou redden en medische redenen, waren onvoldoende onderbouwd.
De Raad bevestigde dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden per 3 augustus 2001 en dat er geen omstandigheden waren die dit verwijt konden wegnemen. De eerdere uitspraak van de rechtbank werd daarmee bekrachtigd en de WW-uitkering werd geweigerd.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt geweigerd omdat appellant verwijtbaar werkloos is geworden door eigen ontslag.