ECLI:NL:CRVB:2005:AT6728
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Herziening WAO-uitkering directeur-grootaandeelhouder met longklachten en beoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellant, directeur-grootaandeelhouder van een aannemersbedrijf, ontvangt sinds 1996 een gedeeltelijke WAO-uitkering vanwege longklachten. Na een herkeuring in 1999 werd zijn arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 45 tot 55%. In 2002 werd de uitkering ingetrokken wegens een vermeende verbetering op basis van feitelijke verdiensten.
Appellant stelde dat zijn beperkingen groter waren en dat een theoretische schatting van verdiensten noodzakelijk was. De Raad benoemde een longarts voor aanvullend onderzoek, die concludeerde dat de longaandoening niet progressief was en de belastbaarheid per 1 januari 2000 gelijk kon worden gesteld aan die van eind 1998, met uitzondering van de functie van samensteller.
De Raad oordeelde dat het besluit tot intrekking van de uitkering op 1 januari 2000 onzorgvuldig was voorbereid en onvoldoende gemotiveerd, omdat geen theoretische schatting was gemaakt. Het besluit werd vernietigd en gedaagde opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens werd gedaagde veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Besluit over arbeidsongeschiktheid per 1 januari 2000 wordt vernietigd en Uwv dient een nieuw besluit te nemen.