ECLI:NL:CRVB:2005:AT6652

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 april 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/3694 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:11 AwbArt. 61 WWArt. 67 WW
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling loonhoogte bij overname loonverplichtingen UWV na faillissement werkgever

Gedaagde was als opruimer/sjouwer in dienst en werd arbeidsongeschikt. De werkgever betaalde loon tot december 2000, maar ging failliet in april 2001. Gedaagde vorderde het achterstallige loon vanaf januari 2001, maar de dagvaarding werd niet uitgebracht vanwege het faillissement. Het UWV nam de loonverplichtingen over, maar verwerkte geen CAO-loonstijgingen van januari en maart 2001.

De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV omdat het niet had voldaan aan artikel 7:11 Awb Pro. In hoger beroep betwistte het UWV dit en stelde dat het niet vaststaat dat de werkgever het hogere loon daadwerkelijk zou hebben betaald. De Raad oordeelde dat het UWV het besluit volledig had heroverwogen en dat het CAO-loon, inclusief verhogingen, tot het rechtens geldende loon behoort.

De Raad concludeerde dat het UWV ten onrechte geen rekening hield met de salarisverhogingen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van gedaagde.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV het CAO-loon inclusief salarisverhogingen moet overnemen en veroordeelt het UWV in de proceskosten.

Uitspraak

03/3694 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een op 20 juni 2003 tussen partijen gewezen uitspraak van de rechtbank Rotterdam, reg.nr. WW 02/2308, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Het geding is behandeld ter zitting van 16 maart 2005, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, en waar gedaagde is verschenen bij mr. P.A.M. Staal, advocaat te Utrecht.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Gedaagde was vanaf 10 augustus 1995 als opruimer/sjouwer in dienst van [werkgever] (hierna: de werkgever). In 1999 is gedaagde arbeidsongeschikt geworden. De werkgever heeft tot en met december 2000 het loon doorbetaald. Op 10 april 2001 is namens gedaagde een conceptdagvaarding aan de werkgever toegezonden waarin onder meer als vordering is geformuleerd het achterstallig loon vanaf 1 januari 2001, berekend naar het salaris van december 2000. Wegens het op 3 april 2001 uitgesproken faillissement van de werkgever is de dagvaarding niet uitgebracht.
Gedaagde heeft appellant verzocht met toepassing van Hoofdstuk IV van de WW de achterstallige betalingen van de werkgever over te nemen. Dat verzoek heeft appellant bij besluit van 24 januari 2002 toegewezen. In de overgenomen bedragen heeft appellant niet verwerkt de salarisverhogingen per 1 januari 2001 en 1 maart 2001 die gedaagde krachtens de CAO in het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf toekwam. Bij het op bezwaar gegeven besluit van 22 juli 2002 (het bestreden besluit) heeft appellant overwogen dat het niet-claimen van het juiste uurloon geheel voor risico van gedaagde komt en dat daarom moet worden uitgegaan van het uurloon zoals dat door de werkgever is betaald en door gedaagde is geaccepteerd.
De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd omdat appellant naar haar oordeel op het bezwaar had beslist in strijd met artikel 7:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Appellant betwist de juistheid van het oordeel van de rechtbank met betrekking tot artikel 7:11 van Pro de Awb en herhaalt in hoger beroep niet gehouden te zijn bij overneming van de betalingsverplichtingen van de werkgever met voornoemde CAO rekening te houden omdat daarmee in de conceptdagvaarding ook geen rekening is gehouden. Hij stelt zich op het standpunt dat niet vaststaat dat het hogere loon door de werkgever daadwerkelijk zou zijn betaald indien deze niet betalingsonmachtig was geworden.
De Raad overweegt als volgt.
Anders dan de rechtbank heeft aangenomen, heeft appellant naar het oordeel van de Raad na gemaakt bezwaar tegen het besluit 24 januari 2002 zijn besluitvorming volledig heroverwogen. Uit de tekst van het bestreden besluit blijkt ook niet anders.
Tussen partijen is niet in geschil dat tot het rechtens geldende loon, als bedoeld in artikel 67, aanhef en onder a, van de WW, waarop gedaagde jegens de werkgever aanspraak heeft, moet worden gerekend de salarisverhogingen volgens de CAO per 1 januari en 1 maart 2001. Uit de stukken blijkt voorts - en is tussen partijen evenmin in geschil - dat de werkgever tot 1 januari 2001 het loon conform de CAO placht te betalen. De gedingstukken bevatten geen enkel aanknopingspunt voor het standpunt van appellant dat de werkgever, indien hij niet betalingsonmachtig was geworden, niet het CAO-loon zou hebben betaald. De omstandigheid dat in de conceptdagvaarding is uitgegaan van een lager uurloon, maakt dat niet anders. Bovendien bestond in het geding bij de kantonrechter, indien tot dagvaarding zou zijn overgegaan op basis van het voorliggende concept, de mogelijkheid van vermeerdering van eis.
De conclusie moet dan ook zijn dat appellant bij het bestreden besluit ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de salarisverhogingen van 1 januari en 1 maart 2001.
Het vorenstaande leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak met verbetering van gronden voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht termen aanwezig appellant te veroordelen in de kosten van gedaagde in hoger beroep, begroot op € 322,-- wegens verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de kosten van gedaagde, begroot op € 322,-- te voldoen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Grauss als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 april 2005.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) J.P. Grauss.