ECLI:NL:CRVB:2005:AT6416
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering WAO-uitkering na toename arbeidsongeschiktheid uit andere oorzaak
Appellant, voorheen vulcaniseur, was sinds 1984 arbeidsongeschikt door rugklachten en ontving daaropvolgend WAO-uitkeringen die in 1995 werden ingetrokken. In december 1999 meldde hij zich opnieuw arbeidsongeschikt, met vermeende toename van rug- en psychische klachten. Gedaagde, het UWV, weigerde een nieuwe WAO-uitkering toe te kennen na de wachttijd van vier weken, omdat de toename van de arbeidsongeschiktheid niet uit dezelfde oorzaak voortkwam als de eerdere uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat de toename van klachten voortkwam uit dezelfde oorzaak en dat nader onderzoek had moeten plaatsvinden. De Raad stelde vast dat de toename van psychische en cardiale klachten niet onder de oorspronkelijke rugklachten viel en dat de medische beoordelingen geen aanwijzingen gaven voor een toename van rugbeperkingen sinds 1995.
De Raad concludeerde dat de weigering van de WAO-uitkering terecht was, omdat de toename van arbeidsongeschiktheid berustte op andere oorzaken dan waarvoor de eerdere uitkering was toegekend. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering omdat de toegenomen arbeidsongeschiktheid niet uit dezelfde oorzaak voortkomt als de eerdere uitkering.