ECLI:NL:CRVB:2005:AT6403
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Weigering WAJONG- en WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid ondanks pols- en rugklachten
Appellante, werkzaam via een uitzendorganisatie, viel in 1999 uit wegens klachten aan haar rechterarm. Zij vroeg een WAJONG-uitkering aan, die werd geweigerd omdat haar arbeidsongeschiktheid onvoldoende was. De Raad oordeelde dat de pols- en rugklachten reeds voor haar 17e bestonden en sindsdien niet waren toegenomen. Verzekeringsartsen stelden vast dat appellante beperkt is in het gebruik van haar rechterarm, maar dat de geselecteerde functies haar belastbaarheid niet overschrijden.
Appellante bracht medische stukken in, waaronder een electrostimulator en neurostimulatieapparaat, maar deze waren onvoldoende om de vastgestelde belastbaarheid te verminderen. De Raad achtte de medische rapporten van verzekeringsartsen en huisarts betrouwbaar en vond geen reden om de weigering van uitkeringen onjuist te achten.
De Raad bevestigde dat de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid correct was uitgevoerd volgens de geldende wetgeving, waarbij de aanvraag op grond van de AAW werd beoordeeld zoals die tot 1998 gold. Na intrekking van de AAW per 1 januari 1998 kon geen AAW-uitkering meer worden toegekend, waardoor het besluit als weigering van een WAJONG-uitkering moest worden gelezen.
De Raad oordeelde dat appellante geen recht heeft op WAJONG- of WAO-uitkering omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan de vereiste percentages bedraagt. De aangevallen uitspraken van de rechtbank werden bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van WAJONG- en WAO-uitkeringen wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.