ECLI:NL:CRVB:2005:AT6284
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Bepaling van het ontstaan van het arbeidsongeschiktheidsrisico bij weigering Ziektewet-uitkering wegens benadelingshandeling
De zaak betreft een geschil over de weigering van een Ziektewet-uitkering aan gedaagde, die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) werd geweigerd wegens een benadelingshandeling. De kern van het geschil is de datum waarop het arbeidsongeschiktheidsrisico is ontstaan. De rechtbank had geoordeeld dat dit risico op 11 juni 2001 ontstond, maar de Raad stelt dat dit al op 7 juni 2001 was.
Gedaagde was sinds 11 januari 1999 in dienst en raakte op 25 september 2000 arbeidsongeschikt. Na hervatting van het werk in maart 2001, vertoonde zij op 7 juni 2001 tekenen van arbeidsongeschiktheid door overstuur naar huis te gaan. Op 8 juni 2001 probeerde zij zich ziek te melden, maar dit werd niet geaccepteerd. Op 11 juni 2001 tekende zij een document waarin zij instemde met beëindiging van haar dienstverband per 14 juni 2001.
De Raad concludeert dat gedaagde op 7 juni 2001 daadwerkelijk arbeidsongeschikt werd en dat zij door het tekenen van het beëindigingsdocument op 11 juni 2001 een benadelingshandeling pleegde. Er is geen sprake van psychische overmacht of verminderde verwijtbaarheid. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het eerdere besluit tot weigering van de Ziektewet-uitkering wordt vernietigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot weigering van de Ziektewet-uitkering wordt vernietigd.