ECLI:NL:CRVB:2005:AT6275
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellante had een bijstandsuitkering ontvangen die later werd herzien omdat zij niet had gemeld dat zij van januari 1993 tot medio 1995 een gezamenlijke huishouding voerde met een partner. Hierdoor kon het recht op bijstand over de periode 1993-1997 niet worden vastgesteld en werd een bedrag van ruim 113.000 gulden teruggevorderd.
De rechtbank had het bezwaar van appellante tegen deze terugvordering deels gegrond verklaard en het besluit vernietigd wegens een onjuiste wettelijke grondslag, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Appellante stelde zich in hoger beroep op het standpunt dat deze rechtsgevolgen onterecht waren gehandhaafd.
De Raad overweegt dat de rechtbank in eerdere uitspraak onherroepelijk heeft vastgesteld dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door het verzwegen van de gezamenlijke huishouding. Dit leidt ertoe dat de intrekking en terugvordering van de bijstand terecht zijn. Er zijn geen dringende redenen gevonden om van herziening af te zien. De Raad bevestigt daarom het bestreden vonnis en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering worden bevestigd en het hoger beroep wordt afgewezen.