ECLI:NL:CRVB:2005:AT5921
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Beoordeling mate van arbeidsongeschiktheid en bijzonder geval in AAW en WAO
Appellant heeft beroep ingesteld tegen besluiten van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) die zijn aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) hebben afgewezen. Het geschil betreft de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid per 1 maart 1988, 1 augustus 1993 en 19 mei 1995, alsmede de vraag of sprake is van een bijzonder geval zoals bedoeld in de artikelen 25 van de AAW en 35 van de WAO.
De medische en arbeidskundige rapporten, waaronder die van verzekeringsarts Renken en arbeidsdeskundige Slot, onderbouwen dat appellant vanaf 1 maart 1988 in staat was om circa 40 uur per week passende functies te verrichten met een arbeidsongeschiktheid van minder dan 25% (AAW) en 15 tot 25% (WAO). De Raad wijst het standpunt van appellant af dat hij volledig arbeidsongeschikt zou zijn geweest. Wel wordt het standpunt van het Uwv over de herbeoordelingsdatum per 1 augustus 1993 aangepast naar 1 april 1995 op basis van het Cohortenbesluit.
De Raad bevestigt dat er geen sprake is van een bijzonder geval om de uitkering eerder dan een jaar voor de datum van aanvraag te laten ingaan. Het bestreden besluit wordt vernietigd voor zover het de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid per 1 augustus 1993 en 19 mei 1995 betreft, en het Uwv wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep is deels gegrond verklaard, het besluit over de arbeidsongeschiktheid per 1 augustus 1993 en 19 mei 1995 is vernietigd en het Uwv moet een nieuw besluit nemen.