ECLI:NL:CRVB:2005:AT5909
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Beoordeling of SUT-uitkering gelijkgesteld moet worden met vervroegde uittredingsuitkering onder de Werkloosheidswet
In deze zaak staat centraal of de SUT-uitkering, toegekend aan gedaagde wegens opheffing van zijn afdeling bij Akzo Nobel, gelijkgesteld moet worden met een uitkering krachtens een regeling tot vervroegde uittreding volgens de Werkloosheidswet (WW).
Gedaagde ontving vanaf 1 januari 2000 een SUT-uitkering en werd later werkloos, waarna hij een WW-uitkering aanvroeg. De WW-uitkering werd aanvankelijk ontzegd, maar na bezwaar toegekend met toepassing van artikel 34 WW Pro, waarbij de SUT-uitkering in mindering werd gebracht. De rechtbank vernietigde dit besluit, stellende dat de SUT-uitkering geen oudedagsvoorziening was.
De Raad overweegt dat de SUT-uitkering een uit dienstbetrekking voortvloeiende periodieke uitkering is die is toegekend wegens het einde van het arbeidsleven en daarom als oudedagsvoorziening moet worden aangemerkt. Wel oordeelt de Raad dat de SUT-regeling niet als regeling tot vervroegde uittreding kan worden beschouwd, omdat er geen bijdrage door of voor gedaagde is betaald.
De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van appellant ongegrond, waardoor de SUT-uitkering terecht in mindering is gebracht op de WW-uitkering.
Uitkomst: De SUT-uitkering is terecht aangemerkt als oudedagsvoorziening en mag in mindering worden gebracht op de WW-uitkering.