ECLI:NL:CRVB:2005:AT5908
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.G.M. Simons
- M.I. ’t Hooft
- W.I. Degeling
- Rechtspraak.nl
Blokkering bijstandsuitkering wegens vermoeden niet-wonen op opgegeven adres
Appellant ontving een bijstandsuitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) als alleenstaande. De gemeente Best had het vermoeden dat appellant niet op het opgegeven adres woonde en mogelijk samenwoonde op een ander adres. Op 8 januari 2003 vond een huisbezoek plaats waarbij het waterverbruik en de aanwezige goederen werden onderzocht.
Op basis van het huisbezoek en het sterke dalende waterverbruik sinds mei 2000, besloot de gemeente op 9 januari 2003 de uitkering op te schorten. De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen dit besluit ongegrond, maar vernietigde het besluit wegens onjuiste grondslag, terwijl de rechtsgevolgen in stand bleven vanwege het gegronde vermoeden dat appellant niet op het opgegeven adres woonde.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat de gemeente terecht gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid om de uitkering te blokkeren op grond van artikel 138 Abw Pro, omdat het gegronde vermoeden bestond dat appellant niet meer op het opgegeven adres woonde. Het verzoek tot schadevergoeding wordt afgewezen.
Uitkomst: De blokkering van de bijstandsuitkering blijft in stand wegens gegronde verdenking dat appellant niet op het opgegeven adres woont.