ECLI:NL:CRVB:2005:AT5541
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering erkenning als vervolgingsslachtoffer wegens onvoldoende bewijs vervolging
Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een periodieke uitkering als weduwe van betrokkene, die naar haar zeggen tijdens de Japanse bezettingsperiode als KNIL-militair krijgsgevangenschap heeft ondergaan. Verweerster heeft de aanvraag afgewezen omdat niet is aangetoond dat betrokkene vervolging in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 heeft ondergaan.
De Raad heeft vastgesteld dat behalve een eigen verklaring van betrokkene uit 1980 geen objectieve gegevens zijn gevonden in relevante archieven, waaronder die van het Nederlandse Rode Kruis en het Bureau Overzeese Pensioenen. Ook in KNIL-archieven zijn geen gegevens aangetroffen die het relaas bevestigen.
Daarnaast voldeed betrokkene niet aan de vereisten van nationaliteit en woonplaats zoals gesteld in artikel 3 van Pro de Wet, zodat toepassing van dat artikel niet aan de orde was. Ook de vordering tot uitbetaling van achterstallige soldij valt niet onder de Wet.
De Raad concludeert dat het beroep ongegrond is en wijst een vergoeding van proceskosten af. Het bestreden besluit kan derhalve in stand blijven.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag voor uitkering wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van vervolging.