ECLI:NL:CRVB:2005:AT5534
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 wegens ontbreken vrijheidsberoving
Eiser, geboren in 1941 in het voormalige Nederlands-Indië, vroeg in februari 2003 een periodieke uitkering aan op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Hij stelde dat hij onder moeilijke omstandigheden leefde nadat zijn vader door de Japanse bezetter als krijgsgevangene was weggevoerd en overleden door mishandelingen. De Pensioen- en Uitkeringsraad wees de aanvraag af omdat niet kon worden vastgesteld dat eiser vervolging had ondergaan in de zin van de Wet, met name dat hij niet van zijn vrijheid was beroofd.
Eiser voerde aan dat hij gelijkgesteld moest worden met vervolgden op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wet. De Raad overwoog dat gelijkstelling niet mogelijk is als niet aan de definitie van vervolging in artikel 2 is Pro voldaan en eiser niet voldoet aan de nationaliteits- en territorialiteitsvereisten van artikel 3, eerste lid. Ook het verzoek om uitbetaling van achterstallige soldij en overlijdensuitkering wegens zijn vader, KNIL-militair, viel buiten de reikwijdte van de Wet.
De Raad concludeerde dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden en verklaarde het beroep ongegrond. Er werden geen proceskosten toegekend. De uitspraak werd gedaan door mr. J.C.F. Talman op 12 mei 2005.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.