ECLI:NL:CRVB:2005:AT5452
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- Th.C. van Sloten
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Beëindiging recht op bijstand wegens vermeende arbeid bij onderneming niet gegrond
Appellant werd bij besluit van 29 augustus 2002 het recht op bijstand toegekend vanaf 3 juli 2002, maar met ingang van 1 augustus 2002 beëindigd wegens deelname aan een onderneming. De gemeente stelde dat appellant vanaf die datum werkzaamheden verrichtte waarvoor hij een loon had kunnen bedingen dat ten minste de bijstandsnorm bedroeg.
Appellant voerde aan dat hij pas op 2 september 2002 in dienst trad bij de onderneming. De Raad oordeelde dat de gemeente onvoldoende feitelijke grondslag had om een fictief inkomen toe te rekenen vanaf 1 augustus 2002. De enkele aanwezigheid in het bedrijfsgebouw voor privédoeleinden was onvoldoende om aan te nemen dat er op geld waardeerbare werkzaamheden werden verricht.
De Raad vernietigde het besluit tot beëindiging van het recht op bijstand per 1 augustus 2002 en bepaalde dat het recht op bijstand pas per 1 september 2002 eindigt. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellant vergoed. De weigering van bijstand voor juli en begin augustus bleef ongewijzigd.
Uitkomst: Het recht op bijstand wordt niet beëindigd per 1 augustus 2002 maar per 1 september 2002.