ECLI:NL:CRVB:2005:AT5450
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- A.B.J. van der Ham
- S.W. van Osch-Leysma
- Rechtspraak.nl
Beëindiging en terugvordering bijstandsuitkering wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellant ontving sinds 1995 een bijstandsuitkering als alleenstaande. Gedaagde stelde na onderzoek vast dat appellant en een huisgenoot vanaf 1 augustus 2000 een gezamenlijke huishouding voerden, wat niet was opgegeven. Hierdoor had appellant geen recht op bijstand volgens de norm voor een alleenstaande.
Gedaagde blokkeerde de uitkering vanaf 1 juli 2001 en trok bijstandsrecht met terugwerkende kracht in per 1 augustus 2000. Tevens werd de bijstand teruggevorderd en een boete opgelegd wegens schending van de inlichtingenverplichting. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Raad bevestigt dit oordeel over beëindiging, intrekking en terugvordering.
De Raad oordeelt dat de onderzoeksgegevens voldoende zijn om van een gezamenlijke huishouding te spreken, ondanks dat de huisgenoot later op een ander adres stond ingeschreven. De boeteoplegging wordt echter niet gehandhaafd omdat gedaagde deze introk. De Raad vernietigt daarom het deel van de uitspraak en het besluit dat de boete betreft.
De Raad wijst het hoger beroep af voor het overige en bepaalt dat de gemeente het betaalde griffierecht aan appellant moet vergoeden. Er zijn geen dringende redenen om af te zien van intrekking of terugvordering.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering worden bevestigd, maar de boeteoplegging wordt vernietigd.