ECLI:NL:CRVB:2005:AT5440
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding van appellanten
Appellanten ontvingen bijstandsuitkeringen als alleenstaande en alleenstaande ouder, maar na een onderzoek van het bureau Fraudebestrijding werd vastgesteld dat zij op 1 november 2003 een gezamenlijke huishouding voerden in de woning van appellante. Dit leidde tot beëindiging van hun uitkeringen en toekenning van een uitkering naar de norm voor gehuwden.
De Raad baseerde zich op dossieronderzoek, observaties, verklaringen van appellanten en gegevens van nutsbedrijven, waaruit bleek dat appellant feitelijk niet in zijn gehuurde woningen woonde maar regelmatig in de woning van appellante verbleef. Daarnaast werden persoonlijke eigendommen van appellant in die woning aangetroffen en weigerden appellanten toestemming voor een huisbezoek.
Appellanten voerden aan dat het bewijs onrechtmatig was verkregen en dat psychische problemen een reden waren om de uitkeringen te continueren, maar de Raad verwierp deze verweren. De Raad oordeelde dat het bewijs niet ontoelaatbaar was en dat het feit dat zij een gezamenlijke huishouding voerden, leidde tot het vervallen van hun recht op individuele bijstand. De eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter werd bevestigd.
Uitkomst: De bijstandsuitkeringen van appellanten zijn terecht beëindigd wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding.