ECLI:NL:CRVB:2005:AT5225
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- H.J. de Mooij
- S.W. van Osch-Leysma
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Naar aanleiding van een melding dat haar partner sinds januari 1998 op haar adres woonde, startte de Sociale Verzekeringsbank een onderzoek. Uit een huisbezoek en ingevulde checklist bleek dat appellante en haar partner een gezamenlijke huishouding voerden, met wederzijdse verzorging en financiële verstrengeling.
De Raad stelde vast dat appellante in strijd handelde met haar inlichtingenverplichting door het niet melden van deze gezamenlijke huishouding. Op grond van de Anw is het recht op nabestaandenuitkering beëindigd vanaf 1 februari 1998. Appellante voerde aan dat haar partner kostganger was en dat zij dit al in 1999 had gemeld, maar dit werd verworpen omdat zij niet had aangegeven dat sprake was van een gezamenlijke huishouding.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef de overwegingen van de rechtbank en bevestigde het besluit tot intrekking van de uitkering met terugwerkende kracht. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De intrekking van de nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding zonder melding wordt bevestigd.