ECLI:NL:CRVB:2005:AT4952
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.G.M. Simons
- M.I. ’t Hooft
- W.I. Degeling
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van stamrechtuitkering als inkomen in verband met arbeid voor IOAW-uitkering
Appellant had na beëindiging van zijn dienstverband een stamrechtregeling getroffen waarbij hij driemaandelijks een uitkering ontving. Hij vroeg een IOAW-uitkering aan, maar deze werd afgewezen omdat zijn totale inkomen hoger was dan de geldende grondslag voor echtparen. De kern van het geschil was of de stamrechtuitkering als inkomen in verband met arbeid moest worden beschouwd.
De Raad heeft vastgesteld dat de wet- en regelgeving, waaronder het Inkomensbesluit IOAW, periodieke uitkeringen uit stamrechten als loon uit vroegere dienstbetrekking aanmerken. De uitzondering voor eenmalige uitkeringen geldt niet voor periodieke stamrechtuitkeringen. Appellant voerde aan dat hij een vrije keuze had bij het aangaan van het stamrecht, maar de Raad oordeelde dat dit niet relevant is voor de kwalificatie als inkomen.
De Raad benadrukte dat een andere uitleg van de wet alleen door wijziging van de regelgeving kan worden bereikt. De aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd, en de afwijzing van de IOAW-uitkering blijft in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de stamrechtuitkering als inkomen in verband met arbeid wordt aangemerkt, waardoor de IOAW-uitkering terecht is afgewezen.