ECLI:NL:CRVB:2005:AT4871
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- A. Beuker-Tilstra
- K. Zeilemaker
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheidsgebrek bij ontslag wegens ongeschiktheid door ziekte van politieambtenaar
Gedaagde, werkzaam als hoofdagente, werd op 18 juli 2002 ontslagen wegens ongeschiktheid tot arbeid door ziekte, op grond van artikel 94, eerste lid, onder e, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp). Dit besluit werd gehandhaafd door de commissaris van politie namens de korpschef op 7 januari 2003. Gedaagde stelde bezwaar in tegen het handhavingsbesluit, waarna de rechtbank Amsterdam het besluit vernietigde wegens onbevoegdheid van de beslisser.
De Centrale Raad van Beroep onderzocht of de korpschef en commissaris van politie bevoegd waren om namens de korpsbeheerder te beslissen. Uit het Mandaatsbesluit en Ondermandaatsbesluit bleek dat de korpschef gemachtigd was en bevoegdheden kon delegeren, mits uit het besluit blijkt dat namens de korpsbeheerder wordt gehandeld. De Raad oordeelde dat het oorspronkelijke ontslagbesluit door een gemandateerde was genomen en dus bevoegd was.
Echter, de beslissing op bezwaar was genomen door de commissaris van politie, die slechts ondermandaat had van de korpschef, niet van de korpsbeheerder zelf. Volgens artikel 18 van Pro de Regeling behandeling bezwaarschriften politie moest de korpsbeheerder zelf of namens hem de korpschef beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten van de korpsbeheerder. Dit was niet gebeurd, waardoor het bestreden besluit onbevoegd was genomen.
De Raad verwierp het standpunt van appellant dat sprake was van een vormverzuim dat kon worden gepasseerd. De vernietiging van het besluit door de rechtbank werd bevestigd. Tevens werd appellant veroordeeld in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot handhaving van het ontslagbesluit is vernietigd wegens onbevoegdheid van de beslisser.