ECLI:NL:CRVB:2005:AT4848
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C. Bruning
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van arbeidsongeschiktheid en schattingsbesluiten in WAO- en ZW-zaken
Appellant, werkzaam als verhuizer, meldde zich ziek met longklachten en ontving aanvankelijk WW- en ziekengelduitkeringen. Na afwijzing van een WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid, werd dit percentage bij bezwaar verhoogd naar 25-35% op basis van een herbeoordeling door artsen en arbeidsdeskundigen. Appellant voerde aan dat hij meer beperkt was dan vastgesteld en dat de functies waarop de schatting was gebaseerd niet passend waren.
De Raad bevestigde dat appellant geen nieuwe objectieve medische gegevens had aangeleverd en dat de functies binnen zijn belastbaarheid vielen. De Raad oordeelde dat het UWV ten onrechte geen gehoor had gegeven aan het recht op een hoorzitting bij twee besluiten, waardoor deze vernietigd werden. Desondanks bleef de inhoudelijke beoordeling van deze besluiten in stand omdat voldoende gegevens aanwezig waren.
De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant en bepaalde dat het betaalde griffierecht werd terugbetaald. Hiermee werd het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar gegrond verklaard, en de beroepen tegen de besluiten zonder hoorzitting eveneens gegrond, met behoud van de rechtsgevolgen van deze besluiten.
Uitkomst: Besluiten zonder hoorzitting vernietigd, WAO-uitkering bevestigd, UWV veroordeeld in proceskosten.