ECLI:NL:CRVB:2005:AT4753
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid tot opleggen van opeisingstermijn bij bijstandsverlening
Verzoeker heeft bijstand aangevraagd, maar de gemeente wees dit af vanwege een vermogenstoets waarbij onder meer een geldlening aan zijn moeder werd betrokken. De voorzieningenrechter van de rechtbank vernietigde het besluit omdat niet was onderzocht of de vordering opeisbaar en inbaar was met inachtneming van de opzegtermijn van twee maanden.
De gemeente nam een nieuw besluit waarbij bijstand werd toegekend onder de voorwaarde dat verzoeker binnen twee maanden na bekendmaking de vordering bij zijn moeder opeist. Verzoeker betwistte dit besluit en stelde dat hij moreel niet kon overgaan tot opeising.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de gemeente bevoegd is om een dergelijke verplichting te verbinden aan de bijstand, aangezien de belangen van de moeder daarbij niet relevant zijn. Wel werd het besluit vernietigd wegens strijd met de Awb, omdat niet alle relevante feiten en omstandigheden waren betrokken en de motivering onvoldoende was.
De Raad bepaalde dat de gemeente binnen vier weken een nieuw besluit op bezwaar moet nemen waarin de hoogte van de bijstand en het vermogen opnieuw worden vastgesteld. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. Tevens werd de gemeente veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit van 23 juni 2005 wordt vernietigd en de gemeente dient binnen vier weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen; het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.