ECLI:NL:CRVB:2005:AT4617
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G. van der Wiel
- R.C. Stam
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Bevestiging dat bestuurder/minderheidsaandeelhouder in privaatrechtelijke dienstbetrekking staat
Appellante betwistte de premieplicht over de jaren 1996-1999 omdat zij van mening was dat de betrokken bestuurder/minderheidsaandeelhouder niet in een dienstbetrekking werkzaam was. De rechtbank oordeelde dat de bestuurder niet voldeed aan de DGA-criteria en dat sprake was van een gezagsverhouding, waardoor de premies terecht waren opgelegd.
In hoger beroep stelde appellante dat de rechtbank onvoldoende rekening had gehouden met materiële omstandigheden die een gezagsverhouding uitsluiten. Zij overhandigde verklaringen van bestuurders die een positie van gelijkwaardigheid beoogden, waarbij ontslag door de algemene vergadering niet mogelijk zou zijn.
De Raad overwoog dat de juridische verhoudingen doorslaggevend zijn en dat de statutaire positie van de bestuurder ten opzichte van de algemene vergadering van aandeelhouders een gezagsverhouding impliceert. De intentie van partijen en familiebanden veranderen hier niets aan. Ook het standpunt van de fiscus was ten tijde van het geding niet pleitbaar.
Verder oordeelde de Raad dat geen sprake was van overschrijding van de redelijke termijn voor bezwaar en beroep. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de premieplicht van de bestuurder/minderheidsaandeelhouder bevestigd.