ECLI:NL:CRVB:2005:AT4541

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 april 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/2949 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 derde lid BarpArt. 33b derde lid ARARArt. 6:5 eerste lid onder d AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
9 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing buitengewoon verlof voor bijwonen vakbondscursus politieambtenaar

Appellante, een politieambtenaar, verzocht in april 2002 om buitengewoon verlof om een cursusdag van de Nederlandse Politiebond bij te wonen. Dit verzoek werd door de korpsbeheerder van de politieregio Limburg-Noord afgewezen en de afwijzing werd na bezwaar gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, stellende dat het buitengewoon verlof alleen kan worden toegekend voor cursussen die vakbondsleden beter laten functioneren in hun rol binnen het overleg met de overheid.

In hoger beroep betoogde appellante dat de toelichting op het toepasselijke artikel in het Barp niet onverkort van toepassing is en dat het karakter van het artikel anders is dan dat van het vergelijkbare artikel in het ARAR. De Raad overwoog dat appellante voldoende duidelijkheid had gegeven over het geschilpunt, maar dat de uitleg van het Barp-artikel door de korpsbeheerder en de rechtbank juist was.

De Raad bevestigde dat de cursusdag van de NPB niet valt onder de definitie van een cursus in de zin van artikel 35, derde lid, van het Barp en dat het verzoek om buitengewoon verlof daarom terecht was afgewezen. Er werd geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen.

Uitkomst: Het verzoek om buitengewoon verlof voor het bijwonen van de vakbondscursus is terecht afgewezen en het hoger beroep wordt verworpen.

Uitspraak

03/2949 AW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Korpsbeheerder van de politieregio Limburg-Noord, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante is op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 1 mei 2003, nr. AWB 2002/1148 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 10 maart 2005. Partijen zijn, zoals eerder aangekondigd, niet verschenen.
II. MOTIVERING
1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. In april 2002 heeft appellante gedaagde verzocht om toekenning van buitengewoon verlof als bedoeld in artikel 35, derde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) voor het bijwonen van een door de Nederlandse Politiebond (NPB) georganiseerde cursusdag op 6 juni 2002 met als onderwerp “NPB scholing functionerings- en beoordelingsgesprekken”.
1.2. Bij een op 10 mei 2002 aan appellante uitgereikt - ongedateerd - besluit heeft gedaagde appellantes aanvraag afgewezen. Na bezwaar is deze afwijzing gehandhaafd bij het door appellante bestreden besluit van 23 september 2002.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de gehandhaafde afwijzing ongegrond verklaard. De rechtbank is met gedaagde van oordeel dat de uitleg in de nota van toelichting bij artikel 33b van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) onverkort kan gelden voor het gestelde in artikel 35, derde lid, van het Barp. De rechtbank onderschrijft verder het standpunt van gedaagde dat uit die toelichting volgt dat de voorziening van buitengewoon verlof uitsluitend wordt verleend voor deelname aan cursussen die erop gericht zijn de vakbondsleden beter als zodanig te doen functioneren, met name in hun contacten met de overheid als werkgever. Steun voor die opvatting vindt de rechtbank mede in de tekst van de overige leden van artikel 35 van Pro het Barp, die alle betrekking hebben op verloffaciliteiten die worden verleend in verband met werkzaamheden die deze ambtenaren verrichten in het kader van het georganiseerd overleg en het overleg in de bijzondere commissies.
3. In hoger beroep houdt appellante, met verwijzing naar haar beroepschrift in eerste aanleg, met name staande dat de toelichting op artikel 33b, derde lid, van het ARAR niet onverkort van toepassing is op artikel 35, derde lid, van het Barp. Naar het oordeel van appellante miskent de rechtbank het feit dat laatstgenoemde bepaling een ander karakter heeft dan artikel 33b, derde lid, van het ARAR, hetgeen mede uit de plaatsing van de artikelen in de onderscheiden rechtspositieregelingen valt op te maken.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Anders dan gedaagde, met verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 27 december 2001, LJN: AD8574, TAR 2002, 58, kennelijk wil betogen, ziet de Raad in hetgeen namens appellante in hoger beroep is aangevoerd een - weliswaar zeer summiere maar - toereikende onderbouwing, in de zin van artikel 6:5, eerste lid, onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), van het hoger beroep. Appellante heeft voldoende duidelijkheid verschaft omtrent hetgeen partijen naar haar oordeel verdeeld houdt met betrekking tot het bestreden besluit.
4.2. De Raad deelt de door de rechtbank onderschreven zienswijze van gedaagde, zoals die is neergelegd in het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde advies van de bezwarenadviescommissie, en verenigt zich in hoofdlijnen met hetgeen de rechtbank, zoals onder 2. samengevat is weergegeven, heeft overwogen. In lijn met zijn uitspraak van 1 juli 2004, nr. 03/1827 AW, LJN: AQ0525 acht de Raad het aanvaardbaar dat gedaagde voor de uitleg van artikel 35, derde lid, Barp aansluiting heeft gezocht bij de nota van toelichting op artikel 33b van het ARAR. Gelet hierop heeft gedaagde zich terecht op het standpunt gesteld dat de door de NPB georganiseerde cursusdag niet kan worden aangemerkt als een cursus in de zin van artikel 35, derde lid, van het Barp.
5. Op grond van het bovenstaande komt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb inzake proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. R. Kooper en mr. F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.W. Loots als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2005.
(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.
(get.) P.J.W. Loots.
HD
5.04