ECLI:NL:CRVB:2005:AT4539

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 april 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/2856 AW en 03/2857 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35, derde lid, BarpArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbreken procesbelang bij buitengewoon verlof politieambtenaren

Appellanten bezochten op 3 oktober 2001 een door de Nederlandse Politiebond georganiseerde informatie- en voorlichtingsdag voor politieambtenaren van 50 jaar en ouder. Gedaagde, de korpsbeheerder van de politieregio Limburg-Noord, verleende aanvankelijk buitengewoon verlof voor deze dag, maar trok dit later in door het verlof om te zetten in een reguliere verlofdag of in mindering te brengen op overuren. De rechtbank Roermond verklaarde het beroep van appellanten gegrond en oordeelde dat gedaagde in strijd met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel had gehandeld door het verlof achteraf in te trekken.

Appellanten waren het niet eens met het oordeel dat de informatiedag niet als cursus in de zin van artikel 35, derde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) kon worden aangemerkt. Echter, gedaagde kwam bij nadere besluiten alsnog volledig tegemoet aan appellanten door het buitengewoon verlof onvoorwaardelijk toe te kennen. Hierdoor ontbrak het appellanten aan procesbelang om het hoger beroep voort te zetten.

De Centrale Raad van Beroep volgde de vaste jurisprudentie en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een voldoende procesbelang. Tevens werd geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen. De uitspraak werd op 14 april 2005 openbaar gedaan door de Raad.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een procesbelang.

Uitspraak

03/2856 AW en 03/2857 AW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
1. [appellant 1], wonende te [woonplaats 1],
2. [appellant 2], wonende te [woonplaats 2], appellanten,
en
de Korpsbeheerder van de politieregio Limburg-Noord, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Namens appellanten is op bij beroepschriften aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank Roermond van 1 mei 2003, nr. AWB 2003/34 AW, onderscheidenlijk nr. AWB 2003/35 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde zijn verweerschriften ingediend.
De gedingen zijn gevoegd en ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 10 maart 2005. Partijen zijn, zoals eerder aangekondigd, niet verschenen.
II. MOTIVERING
1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellanten hebben op 3 oktober 2001 een van de door de Nederlandse Politiebond (NPB) georganiseerde informatie- en voorlichtingsdagen voor politieambtenaren van 50 jaar en ouder bezocht.
1.2. Nadat het gedaagde bekend was geworden dat aan appellanten voor die dag buitengewoon verlof was verleend, heeft gedaagde bij besluiten van 24 juni 2002 beslist dat de aan appellanten toegekende buitengewoon verlofdag alsnog wordt omgezet in een reguliere verlofdag, dan wel dat deze dag in mindering wordt gebracht op eventuele
over-/meeruren. Daartoe heeft gedaagde overwogen dat de inhoud van de informatiedag niet beantwoordt aan de omschrijving van het begrip cursus in artikel 35, derde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp).
1.3. Bij besluiten van 21 november 2002 (hierna: de bestreden besluiten) heeft gedaagde de door appellanten tegen de besluiten van 24 juni 2002 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten gegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat gedaagde zich weliswaar terecht op het standpunt heeft gesteld dat de op 3 oktober 2001 georganiseerde infodag niet kan worden aangemerkt als een cursus in de zin van artikel 35, derde lid, van het Barp, doch dat gedaagde bij de bestreden besluiten in strijd met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel heeft gehandeld door het voor die dag aan appellanten verleende verlof achteraf, bijna 10 maanden later, weer in te trekken.
2.1. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft gedaagde op 10 juni 2003 nieuwe besluiten op bezwaar genomen. Daarbij heeft gedaagde verklaard in die uitspraak te berusten en besloten tot terugboeking van de reguliere verlofdag, respectievelijk
meer-/overuren
3. Appellanten kunnen zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van een cursus in de zin van artikel 35, derde lid, van het Barp. Hoewel appellanten erkennen dat er met betrekking tot deze kwestie geen sprake (meer) is van enig geschil tussen partijen, menen zij bij het hoger beroep nog voldoende (proces)belang te hebben, nu de uitspraken van de rechtbank ertoe leiden dat appellanten in de toekomst geen beroep meer kunnen doen op deze bepaling.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Nu gedaagde ten aanzien van het onderwerp van geschil bij de nadere besluiten van 10 juni 2003 aan appellanten alsnog volledig en onvoorwaardelijk is tegemoetgekomen, hebben appellanten geen (proces)belang meer bij een beslissing van de Raad omtrent de rechtmatigheid van de besluiten van 21 november 2002. Het namens appellanten naar voren gebrachte belang van het verkrijgen van een principiële uitspraak, met het oog op een mogelijk beroep op artikel 35, derde lid, van het Barp in de toekomst, kan, in lijn met ’s Raads vaste jurisprudentie, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 5 september 2002, nr. 02/753 MAW, LJN: AE8042, niet als voldoende procesbelang worden aangemerkt. Dit brengt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
5. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep van appellanten niet-ontvankelijk.
Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. R. Kooper en mr. F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.W. Loots als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2005.
(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.
(get.) P.J.W. Loots.
HD
4.04