ECLI:NL:CRVB:2005:AT4432
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.G.M. Simons
- M.I. ’t Hooft
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Beoordeling opleggen schadepremie wegens niet tijdig beëindigen ziekenfondsverzekering
Betrokkene was verplicht verzekerd op grond van de Ziekenfondswet via zijn dienstverband bij Stichting Werkbij. Nadat zijn dienstverband per 11 juli 1997 was beëindigd, heeft hij het ziekenfonds niet tijdig geïnformeerd over het einde van zijn verzekering, wat leidde tot het opleggen van een schadepremie.
De rechtbank had het beroep van betrokkene gegrond verklaard en het opgelegde bedrag verminderd, mede vanwege het verbod van reformatio in peius. Zowel betrokkene als het ziekenfonds gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Raad stelde vast dat betrokkene niet aannemelijk had gemaakt dat hij het ziekenfonds tijdig had geïnformeerd over het einde van zijn verzekering. Bovendien had hij gedurende een groot deel van de periode de nominale premie betaald en gebruik gemaakt van de verzekering. Betrokkene had ook nagelaten om detentieperiodes aan te tonen die tot matiging van de premie konden leiden.
De Raad oordeelde dat het ziekenfonds bevoegd was de schadepremie op te leggen en dat het beroep van betrokkene ongegrond was. Tevens verwierp de Raad het oordeel van de rechtbank over het verbod van reformatio in peius en verklaarde het hoger beroep van het ziekenfonds gegrond. De eerdere uitspraak werd vernietigd en het besluit van 18 oktober 2001 gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene tegen het opleggen van de schadepremie wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak vernietigd.